Het verdriet van links Vlaanderen

Overzicht

Sprekershoek

Artikel

Door: Johan Sanctorum

Het verdriet van links Vlaanderen

Hoe de sp.a het bedje spreidde van de N-VA ... en waarom het sociaal-flamingantisme in de goede bedoelingen blijft steken

In de marge van de kleurloze voorzittersstrijd binnen de sp.a, waar Daniël Walraeve het in deze kolommen al over had, mag ook even stil gestaan worden bij het onvermogen van deze partij om ook maar enige voeling te hebben met het Vlaams nationalisme, en al evenmin met de 21e-eeuwse Vlaams-republikeinse variant ervan.

De ‘lange mars door de instellingen’

Links én flamingant, het blijft een moeilijk duo. Uiteraard kadert een en ander in de decennialange demonisering van de Vlaamse Beweging, als zogenaamde restfractie van ons collaboratieverleden, en de ambitie van links om de Vlaming politiek-correct te heropvoeden. Zoiets past enkel in een Belgisch kader, onder de vleugels van de Waalse zusterpartij. Maar nu beiden in de oppositie zijn beland, is dat pedagogisch project opgeschort en moet het echte socialisme naar boven komen. Quod non.

In de voortschrijdende sclerose van deze zogenaamde partij van de kleine man/vrouw bekleedt de generatie van de mei 68'ers, die in de Gentse vrijmetselaarsloges de paarse regering onder Guy Verhofstadt bedisselden, een sleutelpositie. Ter herinnering: het woelige jaar 1968 was het toneel van studentenopstanden overal in Europa, tegen de gevestigde macht, de traditie en allerlei heilige huisjes. Inspraak, contestatie, leut, vrije seks, anti-autoritaire slogans vormden de ingrediënten van wat zichzelf als een revolutie zag, maar dat in werkelijkheid niets meer was dan een tamelijk ludieke machtsaflossing.

Vandaar de welbekende term 'de lange mars door de instellingen': de revolutie zou niet verder op straat worden uitgevochten, neen, idealistische voormannen zoals Luc Van den Bossche en Paul Goossens zouden de stropdas aantrekken en doorstoten naar de hoogste posities in de samenleving, om van daaruit grote structurele omwentelingen te forceren. We weten waar ze zijn geëindigd: socialist Luc Van den Bossche bouwde vanaf 1989 een ministercarrière uit, genoot van de macht, werd steeds dikker en rookte steeds duurdere sigaren, ging uitbollen als gedelegeerd bestuurder bij Brussels International Airport Company, daarna Optima (riante ontslagvergoeding inbegrepen), en stuurde ten slotte zijn dochter Freya het veld in.

Het geval Paul Goossens is zo mogelijk nog frappanter: als linkse studentenleider schopte hij het in 1973 tot hoofdredacteur van de (toen nog duidelijk katholieke) Standaard, daarna De Morgen, werd een van de pleitbezorgers van het Belgische establishment en de eurocratie, om dan een rustige oude dag te slijten als Belga-correspondent en hoofdredacteur van de Christen-Democratische Omroep (!).

Familiebedrijf

Ik beschrijf kort het carrièrepad van die twee, omdat het de mentaliteit typeert van wat men het salon- of kaviaarsocialisme is gaan noemen: hoog opgeleide, vlotte en welbespraakte maatpakken die in de sociaaldemocratische retoriek het perfecte vehikel zien om carrière te maken. Enig cynisme is nooit ver weg. In hun zog opereerden intellectueel minder beslagen maar demagogisch des te talentrijkere figuren zoals Patrick Janssens en Robert ‘Steve’ Stevaert, die de afstand met het volk konden verkleinen dankzij marktkramerspraatjes en de welbekende gratispolitiek.

Maar naarmate de lijken uit de kast vielen van die sinterklaaspolitiek, en de marketingtrucs op geraakten, bereikte dat socio-populisme zijn houdbaarheidsdatum. Langzamerhand werd de partij haar eigen karikatuur: een grotesk samenraapsel van machtsgeile satrapen die alleen tijdens de verkiezingen hun achterban herkennen, en die op het ultieme moment altijd weer op het Belgisch establishment terugvallen, waarin de etatistische, collectivistische PS de toon zet.

Het is deze levende karikatuur die voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie een centraal strategisch element werd, een pispaal waartegen ze zich eindeloos kon afzetten, en waardoor het woord ‘socialist’ in Vlaanderen bijna een scheldwoord werd. De Vlaamse grondstroom’ was een feit. Kon het Vlaams Blok/Belang nog via het cordon sanitaire van de macht gehouden worden, de N-VA speelde het leper en met meer intellectuele finesse. Ze profileerde zich als fatsoenspartij die het land wilde verlossen van de decadente rode bobo’s. Dat is ook gelukt. Met de verkiezing tot partijvoorzitter in 2011 van Bruno Tobback, zoon van zijn vader, advocaat, alpinist en bezitter van een zeiljacht, was de band tussen de postmoderne roosjes en de oude ’68-generatie zelfs fysiek-biologisch vastgelegd. Een flater van formaat: een socialistische partij die zich profileert als een archaïsch familiebedrijf.

Nu kon de pret bij de N-VA  niet meer op, en kwam ze werkelijk met alles weg. Bart Maddens heeft die analyse al een dozijn keer gemaakt. Met een rechtsliberale receptuur die beweerde sociaal te zijn, en met een Belgisch herstelprogramma dat probleemloos aan de flamingante basis werd verkocht, vrat ze electoraal zowat alles op wat in haar buurt kwam. Met de triomf van 2014 als voorlopig hoogtepunt.

Een Vlaamse Podemos?

De ‘oproep tot progressieve frontvorming’ vanwege Daniël Termont (sp.a) is alleen al daarom totaal ongeloofwaardig en zelfs lachwekkend. De echo vanwege neostalinist Peter Mertens (PVDA+) kan al evenmin ernstig genomen worden. Samen met Groen houdt deze linkerzijde zich angstvallig dicht bij de Belgische constructie en de oude zekerheden.

En zo komt het dat, zelfs in deze tijden van crisis, met een officiëel Vlaams armoedecijfer van 12%, links nauwelijks van de grond raakt. Ik vermoed dat een pak werklozen of mensen van de sociale onderkant heeft gestemd voor de ‘volkspartij’ die nu, tegen het regeringsakkoord in, toch probeert om de werklozensteun in de tijd te beperken. Deze politieke paradox mag op het conto geschreven worden van de verkalkte sp.a en de karikatuur die ze zelf neerzet, maar hoe staat het ondertussen met de sociaal-flamingante beweging die links niét aan de Belgitude koppelt?

Het is zonder meer de achillespees van heel het N-VA-verhaal: de dag dat er een radicaal-Vlaamse en tegelijk ongecomplexeerd linkse Podemos uit de klei schiet, heeft zij een probleem. Een partij die het onafhankelijkheidstreven en een identitair verhaal durft te koppelen aan verregaande hervormingen op gebied van belastingen, solidariteit, energie, bankensector, de houding tegenover Europa, enzovoort.

Maar die beweging komt niet van de grond. Voor een deel heeft dat beslist te maken met de N-VA-controle over het middenveld. Anderzijds tieren navelstaarderij en ideologische inteelt welig binnen die sociaal-flamingante scène: ze zijn vooral met zichzelf bezig. Marginale groupuscules zoals Meervoud (Brusselse ludieke maandbladredactie), Vrijbuiters (anarchistische naturisten, in de Kempen gesignaleerd, soms in Doel), de Vlaams-Socialistische Beweging (nog wereldvreemder, streeft naar een ‘socialistische Vlaamse staat’, hopelijk niet naar Noord-Koreaans model), de Sociaal-Flamingantische Landdag (de naam alleen al) boeren allen op hun vierkante meter, goed bedoeld, meestal in een zeer gezellige sfeer, maar zonder oog voor een overkoepelende politieke actie.

Onderlinge synergie en publieksverbreding zijn onbekende begrippen in deze middens. Initiatieven om de zaak open te trekken en aan frontvorming te werken, het middenveld te veroveren, worden schoorvoetend en met argwaan besnuffeld: het equivalent van de Vlaamse keuterboer,- uitgerekend in de hoek die ideologisch het meeste potentieel heeft om de rechts-liberale hegemonie binnen het Vlaams nationalisme te doorbreken.

Vergeten we ook de Gravensteengroep niet, ooit een ambitieuze poging om het flamingantisme met een vorm van progressief denken te verzoenen, maar geleidelijk aan verwaterd, en nu doodbloedend in een soft-Vlaams-belgicistisch sterfhuis.

In de marge dollen dan nog figuren zoals Nelly Maes, ooit op haar eentje de linker-Volksunievleugel, daarna opgedoken in Spirit - samen met Rossem een van de meest hilarische politieke charades die het naoorlogse Vlaanderen heeft gekend. Over Bert Anciaux zullen we helemaal zedig zwijgen.

Uplace en daarbuiten

Het zou nochtans een mooi project zijn: een radicaal-Vlaams en tegelijk groen-sociaal verhaal, waaruit dan een nieuwe politieke basisbeweging kan groeien. Zonet zijn de plannen voor het megakoopcentrum Uplace door de Vlaamse regering goedgekeurd. Een ideaal aangrijppunt om mensen te mobiliseren tegen de verdere betonnering van Vlaanderen en de teloorgang van de locale economie, dit onder het goedkeurend oog van de partij die zogenaamd de Vlaamse grondstroom vertegenwoordigt. Veeleer een vettige modderstroom lijkt het.

De jonge politicoloog Jonathan Holslag (VUB) heeft daar zopas in een De Morgen-column boeiende dingen over geschreven. Duidelijk iemand van links, bevestigt hij zijn sympathie voor een Vlaams-nationalisme dat gaat voor levenskwaliteit, weefselversterking, duurzaamheid, en, jawel, identitair bewustzijn en collectief zelfvertrouwen. De nieuwe republikeinse waarden dus.

‘Uplace is een strijddossier, een kleine economische Guldensporenslag aan het viaduct van Vilvoorde. Dat we de slag verloren hebben, doet mij vrezen dat we verder dan ooit staan van een zelfbewust Vlaanderen. Het is een zwaktebod, met de steun van een partij die de ambitie van positief nationalisme heeft laten schieten voor schijnnationalisme.’  Zo klinkt het.

Een streng en eerlijk verdict. Maar ook een spoorslag voor een sociaal-groene lente in de Vlaamse Beweging, onder het Franse motto: ‘Plus est en vous’.

 

Twitter:
Afdrukken:
E-mail:

Vindt u dit artikel informatief? Misschien is het dan ook een goed idee om ons te steunen. Klik hier

Alle artikels van Johan Sanctorum

Alle artikels in de categorie Sprekershoek